Ik begon met lopen. Ik had wind mee. Ik probeerde een stevig tempo aan te houden, zodat ik niet in de verleiding zou komen om ergens naar binnen te gaan, een supermarkt bijvoorbeeld. Of een café. Ik bedacht me dat ik al in geen vijftien jaar in het Tropenmuseum was geweest. Ooit was ik er met mijn oma. Ik kan me van dat bezoek niet veel voor de geest halen, maar er waren opgezette negers. Of iets met de jungle. Zoiets. We waren er ook niet lang, want in tegenstelling tot nu deed ik toen geen moeite om het te verbergen als ik me verveelde.
Ik liep dus, met wind mee. Ik bedacht me dat het Alexanderplein in het Duits "Alexanderplatz" zou heten. Dat klonk al een stuk gewichtiger. Ik passeerde twee mensen, een stel van middelbare leeftijd. Ze hadden allebei zeiljacks aan, in dezelfde non-kleuren, en rode blosjes van de frisse lucht. Ik stelde me zo voor dat ze aan de ontbijttafel hadden gezeten, die ochtend. De man was de krant aan het lezen, en at ondertussen een beschuitje met honing. De vrouw zuchtte. Eén, twee keer.
"Wat is er?", vroeg de man toen, met volle mond. "We doen nooit meer iets leuks", zanikte de vrouw toen. "Dan gaan we toch een wandeling maken", zei de man daarop, en de vrouw sprong op van de ontbijttafel om de twee bijpassende zeiljacks van de kapstok te grissen.
Al lopend kom je een hoop tegen. Door de spijlen van Artis zag ik twee wollige beesten zitten, in elkaar gekropen, aan de waterkant. Wombats, wist ik, nog uit de tijd dat ik Ranger was bij het Wereld Natuur Fonds. Als je dat was kreeg je elke maand een tijdschrift toegestuurd over het behoud van de natuur. In het midden zaten dan posters van koalaberen, of otters. Maar ook wombats. Je kreeg een Ranger-paspoort, waarmee je dan zo nu en dan een gratis lolly kon ophalen bij de Jamin, in de vorm van een pandabeer. Steeds vaker begonnen de Ranger tijdschriften zich ongelezen op te stapelen bij ons in de huiskamer. Toen heeft mijn moeder het abonnement opgezegd.
Soms kan ik om dat soort dingen ineens heel erg treurig worden. Zoals de single van één of ander zoutloos hiphopnummer, op vinyl, die ik in de kast heb staan. Die moest ooit een glansrijke carrière als DJ voor me inluiden.
De zon brak door. Ik had mijn synthetische vest aan met herfsbladeren-print. Als ik er iets met korte mouwen onderaan heb, kriebelt dat ding als een malle. Anderzijds is het een heel fijn, warm vest, en bovendien erg toepasselijk in de herfst. Vroeger maakte ik weleens een herfstdoos. Ik ging dan het bos in om kastanjes, herstbladeren en paddestoelen te zoeken, waar ik dan vervolgens de binnenkant van een schoenendoos mee versierde. Dan ging ik voor de C1000 staan, en vroeg aan iedere voorbijganger een kwartje om in mijn herfstdoos te kijken.
Dit ging de goede kant op, ik was al flink ver en ik zou alleen maar nog verder komen, mits ik doorliep. Ik wist niet zo goed waarheen. Het maakte ook niet uit, vandaag. Voor deze ene keer maakte het niet uit waarheen.
Ik begon te wensen dat ik een heupflacon had met mjn naam erin gegraveerd, en erin een flinke bel whisky. Ooit had ik zo’n ding doelbewust op mijn verjaardags verlanglijstje gezet, maar in plaats daarvan kreeg ik een opblaasstoel, die misschien twee weken fier opgeblazen bleef alvorens toch nog in elkaar te zakken. Lek.
Ik moest vandaag maar eens niet drinken. Dat leek me voor iedereen het beste. Als ik nu eens op tijd naar bed ging vanavond, dan kon ik morgenochtend lekker vroeg op. Dingen doen, schoonmaken, de was, lekker tot mezelf komen. Heerlijk! Ik had er nu al zin in.
Er stak een straf windje op. Ik liet het waaien.
|